23.11.2021

‘Levende Havenstad’ geeft visie op biodiversiteit in het Rotterdam van 2075

Foto © Maarten Laupman.

 

Rotterdam, 18 november 2021 – Na het in ontvangst nemen van de Laurenspenning in de Laurenskerk in Rotterdam kondigde Kees Moeliker een belangrijke tentoonstelling in zijn Natuurhistorisch Museum aan: Levende Havenstad. De semi-permanente tentoonstelling laat zien hoe flora en fauna in de stad wortelen en hoe de ideale biodiverse havenstad er in 2075 uit zal zien.

Hier de complete dankrede van de laureaat:

Het is een bijzondere eer om de Laurenspenning te mogen ontvangen. En mijn dank gaat daarom allereerst uit naar de mensen van Stichting de Laurenspenning die mij en daarmee eigenlijk ook het Natuurhistorisch Museum Rotterdam hebben uitverkoren. Dank ook voor het opmerkelijke feit dat in de officiële uitleg waarom ik de onderscheiding verdien, mijn trouwe metgezel – de eend – niet genoemd wordt. Dat overkomt me niet vaak. Ik voel mij juist daarom niet bezwaard om het nu eens niet over die dode watervogel te hebben. Als kort eerbetoon blaas ik in deze prachtige kerk wel even op mijn eenden-lokfluit: ‘kwaak, kwaak’.

Dames en heren, familie, vrienden en collega’s. Ik bevind mij in goed gezelschap. Mijn 53 mede-laureaten vormen een bijzondere groep mensen, waaronder nota bene een prinses en onze huidige burgemeester, maar ook Ted Langenbach, Maria Heiden, Henk Oosterling, Sander de Kramer, Rachèl van Olm en Harry-Jan Bus, en ‘stroopwafel’ Wim Kerkhof. Ik vind het een fijne doe- en denktank. Graag noem ik ook Chabotverzamelaar Dirk Tol die de penning in 1975 kreeg. In zijn slagerij leerde ik als scholier de beginselen van de zoogdieranatomie. Bijzonder vind ik ook dat ik, sinds de oprichter van Arboretum Trompenburg in 1980, pas de tweede laureaat ben die zich ‘in het stadsgroen’ beweegt.

Het motto van de Laurenspenning ‘vurig enthousiasme doet ook anderen ontvlammen’ zette mij aan het denken wie bij mij het natuurvorsersvuurtje aanwakkerden. Een aantal wil ik zeker noemen in dit dankwoord, met de kanttekening dat ik omwille van de tijd over veel inspirerende mensen moet zwijgen.

Allereerst natuurlijk mijn ouders die toelieten dat ik vogelkoppen uitkookte in de schuur en mij de vrijheid gaven om de (steeds groter wordende) wereld om mij heen te verkennen. Mijn onderwijzeres in de derde klas die mij een fossiel gaf, wakkerde een vuurtje aan en dat geldt ook voor mijn toenmalige buurman Kees Heij die me meenam bij zijn mussenonderzoek. De les ‘knaagdieren’ op de toen net geopende kinderboerderij De Wilgenhof ben ik nooit vergeten. Rotterdam was destijds voorloper op het gebied van de natuureducatie. Belangrijk werk dat gelukkig voortduurt, nu door Stichting Natuurstad Rotterdam. Frédérique Spigt, met wie ik twee onvergetelijke seizoenen ‘Fauna & Gemeenschap’ presenteerde voor RTV-Rijnmond, zette mij voor de camera aan tot ongekende prestaties, zoals het van het asfalt schrapen van een – jawel – krokant platgereden eend. Ook noem ik graag meesterpreparateur Erwin Kompanje die mij op de snijtafel in het museum liet inzien dat in het binnenste van een dood dier veel aanwijzingen te vinden zijn over het gedrag van het dier toen het nog leefde. Dat leverde mooie museumstukken en verhalen op.

Mijn collega’s van Bureau Stadsnatuur, de afdeling van het Natuurhistorisch Museum die de levende stadsnatuur in kaart brengt en onderzoekt, verbazen mij doorlopend met informatie over de ongelofelijke biodiversiteit in stad en haven. Hoe gaaf is het om als een van de eersten te weten dat er voor het eerst een grote gele kwikstaart in Rotterdam broedt en dat er nieuwe insectensoort voor Nederland in een Rotterdamse daktuin leeft. Of de buitenkans om op het hoogste dak van het Erasmus MC slechtvalk-prooiresten te verzamelen. Dat soort dingen blijven mij inspireren om het vuurtje door te geven, binnen en buiten de muren van het museum.

Ook het (museum)publiek inspireert me. De keren dat ik aangesproken, geschreven, gemaild, gebeld of geappt werd (en wordt) met de veelzeggende mededeling ‘dit is wel wat voor jou’ zijn talloos. Zo herinner ik mij het telefoontje van Cor van Brug uit Spijkenisse, op 13 februari 1997: ‘We hebben een ijzeren nest gevonden op de Esso Raffinaderij in De Botlek op tien meter hoogte in een destillatietoren’. Kom je het halen?’. Zo kwam het museum in het bezit van een stadsecologisch topstuk – een stadsduivennest dat volledig is opgebouwd uit roestvrij staaldraad en kippengaas. Bij mij viel toen het kwartje dat het aanpassingsvermogen van dieren aan een op het eerste gezicht vijandige leefomgeving fenomenaal kan zijn. Ik meld hier graag dat we onlangs de overtreffende trap van dit nest voor de museumcollectie hebben kunnen veiligstellen: een kraaiennest dat bijna volledig is gebouwd met van die anti-duivenpinnen. Eigenlijk vertel ik het liefst dit soort anekdotes, maar ik moet door met dit dankwoord. 

Deze onderscheiding zie ik als een stimulans om door te pakken met het museum. Er staat voor volgend jaar een nieuwe semipermanente tentoonstelling op het programma. We bouwen daarbij voort op de expositie ‘Pure Veerkracht’ die laat zien dat de stad ook natuur is. Maar nu richten we ons specifiek op Rotterdam en pakken we de haven er ook bij. Dat kan eigenlijk niet anders. Want onze stad, de rivier en het havengebied vormen samen een uniek leefgebied waar niet alleen mensen maar ook planten en dieren zich steeds meer thuis voelen. ‘Levende Havenstad’ (onthoud die titel) gaat laten zien hoe en waar flora en fauna tussen mensen wortelen. Maar ook dat je als stadsbewoner en havenwerker de band tussen mens en natuur zelf kunt versterken en er uiteindelijk ook de vruchten van plukt. We presenteren ook een toekomstbeeld – visies op de ideale biodiverse havenstad in 2075, waar we nu al aan kunnen werken. Terzijde: we zoeken nog sponsors voor deze belangrijke tentoonstelling.

In 2027 bestaat het Natuurhistorisch Museum Rotterdam 100 jaar. In het tijdspad daarnaartoe zie ik het als mijn taak om het museum dieper te laten wortelen in alle geledingen van de stad en ervoor te zorgen dat zowel de collectie als Bureau Stadsnatuur een kennis- en inspiratiebron blijven voor onderzoek en educatie. Dat vuur blijf ik opstoken.

De 54e Laurenspenning is aan mij uitgereikt, maar wat ik doe om ‘de natuur in de stad in al haar verschijningsvormen onder de aandacht te brengen’ komt grotendeels voort uit mijn werk bij het Natuurhistorisch Museum Rotterdam. Werk dat ik niet alleen doe en gedaan heb. Daarom is deze uitreiking, in mijn ogen, ook een eerbetoon aan iedereen die bij het museum betrokken is: bestuursleden, medewerkers en niet te vergeten vrijwilligers. Ik neem de 54e Laurenspenning nu mee naar huis, maar schenk hem snel aan het museum. Ik heb al een plekje op het oog om hem te exposeren.

Tenslotte dank ik iedereen die met voordrachten en optredens deze ceremonie voor mij onvergetelijk maakten: Jet Sol, Korrie Louwes, Frédérique Spigt en Harm Korst, Auke-Florian Hiemstra, Remy Tilburg (Conny Janssen Danst) en Arie van der Krogt.

Kees Moeliker
18 november 2021