Laurenspenning 2017: de Lofrede van Nelleke Noordervliet
2017

Hieronder de integrale tekst van de Feestrede die op 2 november 2017 in de Laurenskerk werd uitgesproken door Nelleke Noordervliet ter gelegenheid van de uitreiking van de Laurenspenning aan Linda Malherbe.

Foto Maarten Laupman.

”Verhalen.

Als kind spitste ik mijn oren wanneer mijn oudtante Annie haar stem dempte en tegen mijn moeder zei: ‘Nou, Zus, tegen jou gezegd….’ En dan volgde meestal een verhaal waarvan ik weinig snapte maar dat een essentieel onderdeel was van de familiegeschiedenis.  De familiegeschiedenis wordt/werd meestal overgedragen door de vrouwen, de moeders, oma’s, tantes en nichten die op verjaardagen en andere festiviteiten elkaars wel en wee doornamen en een flinke dot roddels toevoegden aan het bestaande corpus leugens en halve waarheden. De vrouwen droegen en dragen zorg voor het menselijke deel van de familiegeschiedenis, de liefdes, de kinderen echt of onecht, de verbroken beloftes, de ruzies om erfenissen, de zwarte schapen, de kwalen en ongevallen. De bijdrage van de mannen – als ze een bijdrage leveren – is vaak van genealogische en economische aard. Zij zoeken in gemeentearchieven, gildeboeken, jaarverslagen, notulen van verenigingen naar de daden en de sporen van de voorvaderen. De harde feiten dus. Het geraamte. Voor het vlees en bloed moet je bij de vrouwen zijn.

Nu we allemaal druk zijn en families niet alleen kleiner zijn, maar vaak ook wijd verspreid door het land en de wereld en  bovendien van nogal ingewikkelde samenstelling qua exen en nieuwe relaties, is het veel moeilijker zo’n vele generaties overspannend verhaal gaande te houden. Er is een intieme band nodig, een vertrouwensband, en vooral ook regelmaat. Veelal woonden families vroeger in dezelfde stad of zelfs straat. De grote kinderschare bleef – volwassen geworden – binnen een straal van luttele kilometers van het ouderlijk huis. Iedereen kwam elkaar regelmatig tegen en kende elkaars gewoonten en eigenaardigheden. Benauwend misschien maar ook beschermend en vertrouwd. In de armen van het familieverhaal vond ieder lid zijn eigen plek, zijn wortels, zijn rust. 

De verhalen van mensen van mijn generatie vertonen veel overeenkomsten. Bijvoorbeeld: hoe we nog buitenspeelden, vrij op straat, die bij ons vaak opgebroken was. Ik had, zelfs in de stad, als kind een grote ruimte tot mijn beschikking: de hele buurt waar we woonden, straten ver, stekelbaarsjes vangen achter het Xerxesterrein aan de andere kant van de Gordelweg. Ik was zeven. Toen ik vier was liep ik zelf naar de kleuterschool van de Insulindestraat naar de Bieslandstraat. En hand in hand met mijn vriendje Robbie Kanaar dwaalde ik langs de Bergsingel en kwamen we te laat thuis. Kleuters. Mijn vader had als het hele dorp en wijde omtrek waar hij avonturen kon beleven. Nu laat geen moeder haar kind alleen naar de straathoek gaan. Kinderen hebben play-dates en beleven hun avonturen op een game-boy.

Een deel van het verhaal van mijn generatie is de nasleep van de oorlog. Het is een verhaal van een kleine wereld die plotseling overhoop werd gehaald en na vijf jaar zichzelf weer terug moest vinden, gewond en wel. We groeiden op in een tijd, waarin onze ouders een verleden hadden om mee af te rekenen. Mijn moeders commentaar op mensen uit de buurt was steevast gekleurd door de bezetting: dat is die en die, fout geweest in de ooorlog. Of: dat is die en die, zwaar in het verzet gezeten. Zelf hadden we de oorlog niet meegemaakt, maar voor onze ouders was het een nog zeer nabije tijd. De verhalen leefden dus nog echt. Die verhalen delen we en maken mijn generatie tot wie we zijn. Ook onze eigen verhalen van volwassenwording en verzet. Verhalen bepalen onze identiteit.

Ik ben geboren in deze havenstad en dus ben ik mede bepaald door de verhalen die deze stad maken tot wie zij is. Rotterdamse verhalen gaan over de oorlog maar ook over de haven. Ze gaan over zeelui, immigranten en passanten. In de loop van de tijd zijn veel mensen van verschillende komaf en cultuur hier aangespoeld. Een van de aardigste kleine bewijzen van kosmopolitisme dat ik ken is het feit dat tussen de keien van de Parkkade exotisch onkruid groeide, dat als zaadjes in de profielen van zeemansschoenen was meegenomen. Urban legend? Misschien, maar een heel mooie.

En iedereen brengt verhalen mee van familie, land van herkomst en plaats van aankomst. Juist die smeltkroes die iedere havenstad is maakt bijzondere verhalen. Over breuken in levens, over verlies, over aanpassing, over onbegrip en eenzaamheid, over vriendschap en liefde. En hoewel onze verhalen allemaal anders zijn vertonen ze toch zoveel overeenkomsten dat we elkaars verhalen kunnen begrijpen en zien met onze ziel. Een verhaal maakt een thuis. Je kunt erin wonen en mensen uitnodigen.

Om onze verhalen uit te wisselen en tot een groot bont gezamenlijk verhaal te komen, moeten we elkaar ontmoeten. In Nederland hebben we niet zo’n traditie die ze in een land als Ierland wel hebben. In Ierland komen mensen bij elkaar in de plaatselijke pub en houden avonden van muziek en verhalen. Poezie en liederen. Dat gaat heel vanzelfsprekend. Het is hun tweede natuur. In Nederland moeten we als we in het openbaar spreken een kontje krijgen. Iemand moet ons op gang helpen. Geneer je maar niet.  Wees maar  niet verlegen. Vertel je verhaal gewoon zoals het bij je opkomt. De een doet dat bloemrijk als een volleerd acteur. De ander kariger en stiller. Het maakt niet uit. Wij luisteren. Wij luisteren echt.

Onder bekenden gaat dat makkelijker. Dat zitten in een kring op verjaardagen – typisch Nederlands – hielp wel om vertellers de ruimte te geven. Zo hadden wij mijn oudoom Bert, de man van tante Annie. Als hij eenmaal op stoom lag met zijn hilarische verhalen en imitaties dan lachten we ons tranen. De staande recepties en borrels van nu met hun vluchtigheid en hun lawaai is een heel wat minder aanlokkelijk decor voor grappige ooms.

Er was een tijd waarin we geen ander middel hadden om verhalen te vertellen en door te geven dan onze eigen stem en ons eigen geheugen. Nog steeds zijn er volkeren die een bloeiende orale cultuur hebben. De spin Anansi is in alle Afrikaanse en van Afrika afkomstige culturen terug te vinden. Een slimme schurk, een demon, een voertuig van mythen. Leerzaam en vermakelijk. Onze Vos Reynaerde was ook zo’n figuur, of Tijl Uilenspiegel. Maar ik betwijfel of die nog vaak zullen figureren in de verhaaltjes voor het slapengaan. Maar niets was heerlijker na een dag werken dan bijeenzitten en elkaar verhalen vertellen, de geschiedenis van volk en familie levend te houden. Soms mooier voor te stellen, soms met diep zwart de tragedies af te schilderen. De verhalen hielden de mensen bij elkaar, verschaften een gezamenlijkheid. Dit zijn wij.

De manieren om verhalen vast te leggen, het schrift, het boek en later ook de film, maakten het vertellen van verhalen niet overbodig. De lijfelijke aanwezigheid van een verteller en zijn gehoor smeden nog altijd een magische band tussen mensen.

Hier in Rotterdam, op de Kaap zijn van oudsher talloze verhalen verteld. Ze spoelden hier aan uit alle windstreken. Sommige luid en duidelijk, andere meer in het verborgene. De snelle ontwikkeling van de techniek, de haven en de stad veranderde het samenzijn van mensen. De verhalen kwamen in de knel, dreigden weg te zakken, overstemd te worden door het lawaai van het moderne leven. Ze dreigden te integreren, zullen we maar zeggen.

En toen kwam Linda Malherbe. Ze keek om zich heen, ze zag de stad, de buurt, de mensen, en ze hoorde gefluister van stemmen. In vele talen, dialecten en accenten. En zoals een dreamcatcher dromen vangt in zijn net, zo ving Linda de verhalen. En ze gaf ze een huis. Een thuis. Verhalenhuis Belvedere. Een echt Rotterdams, gezamenlijk huis. Zonder pretentie. Zonder kapsones. Niemand wordt buitengesloten, alle verhalen zijn belangrijk. Ze gaat ernaar op zoek, ze haalt mensen uit hun schuilplaats om ze te waarderen met het licht van aandacht en erkenning. Onvermoeibaar, enthousiast, hartelijk. Maatschappelijke betrokkenheid via de band van het verhaal is van onschatbare waarde. Het brengt accenten aan, nuances, het heeft gevoel voor humor en voor tragiek. Verschillen worden niet weggepoetst, de gelijkwaardigheid van alle levensverhalen viert het verschil en leert ervan.  Hier is familie. We zijn allemaal anders, maar we horen bij elkaar.  Net als mijn oudtante Annie zei: het wordt tegen jou gezegd.

Daarom verdient Linda Malherbe met haar team de Laurenspenning!”