Lofrede voor Aboutaleb uitgesproken door Wilfried de Jong
2016

_DSC1690

Rotterdam, 28 april 2016 – Dit is de tekst van de lofrede die Wilfried de Jong vanavond uitsprak bij de uitreiking van de Laurenspenning aan Ahmed Aboutaleb:

Je moet het maar durven.

Een paar weken nadat in zijn stad anti-terreuracties plaatsvonden, stond de burgemeester op de Coolsingel bij de start van de marathon klaar bij een enorm kanon waarmee je het hele stadhuis in één klap kon wegvagen.

De schrik zat er nog goed in bij sommige Rotterdammers: Wat? Terroristen in West, in  Kralingen? Was het nog wel veilig op straat? Moesten we niet iedereen zijn tas laten controleren? En was iemand met een lange baard of een hoofddoek in de metro nou meteen verdacht?

Ahmed Aboutaleb had zijn zondagse pak aan. Ambtsketting om, het grijze haar keurig achterover gekamd. Hij had er zin in. Hij zwaaide nog eens naar de fotografen, telde af, drie, twee, een.  En stak de lont aan. Boem. Weg waren de marathonlopers, met een fluittoon in de oren.

Hoezo angst?

Angst verdrijf je met lef, met durf.

En dat is precies waarom ik zo van Aboutaleb houd.

Ik zie hem weer zitten, achter die lange tafel in de Beverwaard, eind vorig jaar. Honderden wijkbewoners met het schuim op de mond in een grote tent. Een azc in hun wijk? Waren ze gek geworden op het stadhuis?

Aboutaleb kreeg verwensingen naar zijn hoofd. En wat deed de burgemeester? Hij trok zijn jasje uit. Niet om te vechten. Maar om te luisteren. Om de dialoog op gang te brengen. Om de zweetplekken onder zijn oksels te laten zien. En toen het in de zaal nog heter werd, ging de stropdas zelfs af.

Ahmed Aboutaleb geniet van hitte. Van debat. Van een robbertje vechten. Face to face. Kom maar op. Als er maar geluisterd wordt. Ahmed heeft de gave van het woord.

Onlangs las ik in de Volkskrant een interview met de Nederlandse cartoonist die in Parijs nog altijd voor het blad Charlie Hebdo werkt. Bernard Holtrop, alias Willem. Moedige kerel. Niet te beroerd om voor de goede zaak aan de grenzen van andermans fatsoen te tornen en in vrijheid te tekenen wat hij wil.

Over de huidige werkomstandigheden in Parijs zei hij dit:

‘De redactie is verhuisd naar een geheim adres. Daar word je opgewacht door een politieagent en dan nog eentje. Dan moet je een geblindeerde deur door en als die dicht is kun je de volgende openmaken, en dan zit er nog een veiligheidsman. Dan ben je eindelijk binnen en moet je grappen maken.’

De lol zou je bijna vergaan, als je het zo hoort.

Onze burgemeester zat na Charlie Hebdo in een net pak voor de televisiecamera. Als burgemeester, als moslim, als Marokkaan. Hij reageerde furieus; er liep een electriciteitsdraadje van zijn onderbuik naar zijn hersens. ‘En als je het hier niet ziet zitten omdat je humoristen niet ziet zitten die hier een krantje maken, mag ik het zo zeggen: rot je toch op?’

Het vraagteken aan het einde van die internationaal vermaarde zin wordt vaak weggepoetst. Ik vind dat leesteken eigenlijk heel wezenlijk. Want Ahmed Aboutaleb stelde zichzelf openlijk een vraag. En weer zonder angst. Of misschien wel mét angst in het lijf, maar die gebruikte hij dan als brandstof voor zijn durf.

Ik voelde trots. Een burgemeester moet zich vaak bescheiden opstellen, hij zweeft boven de partijen. Maar soms loop je voor de troepen uit. Ik had zin om hem te omhelzen. Maar hij zat in het stadhuis, ik thuis voor de televisie.

Het was een straatvechter, die ik op tv zag. Later vertelde Ahmed mij over zijn vroege jeugd in Marokko, over de kleine Ahmed die niet met zich liet sollen en daarom een keer had gevochten met een vriendje.

Vechten tegen onrecht; het zat er al vroeg in, zal ik maar zeggen.

Daags na de aanslag op Charlie Hebdo stond ik op Plein 1940 te luisteren naar zijn toespraak. Sinds ik in 1983 op het Malieveld in Den Haag mijn rug keerde naar premier Ruud Lubbers ten tijde van de kernrakettendiscussie, was ik niet meer op een demonstratie geweest. Ik geloofde eigenlijk niet in massale betogingen waarin iedereen hetzelfde moest vinden. Maar die avond in hartje Rotterdam wilde ik er zijn. Het vuur was aangewakkerd door mijn burgemeester.

Het werkwoord oprotten kwam niet meer voor in zijn speech. Wel sierlijke Franse zinnen die hij door de donkere lucht richting Parijs zond. De straatvechter had een andere gedaante aangenomen: poëzie ging hand in hand met de woede. Het raakte me. Waterige ogen.

Maar voor tranen koop je niks.

Op een ochtend kwamen de burgemeester en ik elkaar bij toeval tegen. Ik had net in razende vaart een rondje langs de Rotte gefietst en zag hem lopen: cap op, in een sportieve outfit. De burgemeester als sportman. Maar laat ik u meteen uit de droom helpen. Wat Ahmed hardlopen noemt, noemen we hier in Rotterdam gewoon: wandelen. Of sjokken.

Alleen in het bos, het is zijn finest hour. Tussen het kwetteren van de vogels en het ruisen van de bomen, tintelen zijn hersens. Hij wikt, weegt, denkt. Een vrij uurtje, zonder besognes, en de gedachten en ideeën buitelen over elkaar heen.

Zou hij bijgelovig zijn en al lopend tegen zichzelf zeggen: ‘Oké, Ahmed, als je binnen twee minuten bij die ene lantarenpaal bent, word je premier. En bij die andere lantarenpaal blijf je burgemeester.’

Klaar, start!

Of gebruikt hij die vrije tijd om gedachten om te zetten in poëzie? Zingzegt hij – met de Plasmolens in het zicht – mysterieuze zinnen in zijn moerstaal.

U weet toch wat ik bedoel, hè?

Soms wil Ahmed je zo graag meenemen in zijn goed gevulde bovenkamer. Even weg van het realisme, van het harde werken, het lintjes knippen, een overleg hier, een ontmoeting daar.

Het liefst citeert hij dan – met zorgvuldig gekozen, ritmische klanken – Arabische gedichten en gezegden en krijg je van hem een wonderlijke vertaling in het Nederlands.

Vergeef me, burgemeester, dat ik u even nadoe:

‘Salaam chem macholu , elleb balansi ti gleb ma ku evvham asvha.’

Dan kijkt Ahmed je aan met een zachte glimlach en zegt bijvoorbeeld zoiets als:

‘Een kip zonder veren vliegt zijn eieren zonder dooier naar verre oorden waar de pan al sissend klaarstaat.’

Toch?

Je kunt alleen nog maar knikken en stil zijn. De burgemeester heeft je geaaid met poëzie. Poëzie ontwapent. Vraag het de Arabische dichter Adonis. Poëzie stelt vragen zonder direct een antwoord te verwachten.

Je hoeft niet alles in het leven in één keer te begrijpen.

Terug naar de Coolsingel. Deze week stond ik tussen 40.000 mensen, recht tegenover de werkkamer van de burgemeester van het stadhuis. De poëzie van de voetbalsupporter begeleid door spijkerharde house, beperkte zich tot vier woorden: ‘Coolsingel, Brienenoord, Feyenoord, Feyenoord!’

Ach, ook mooi, in al zijn eenvoud.

40.000 supporters in het centrum van een stad? Was dat nog wel van deze tijd? Hoe beveilig je dat? Ik was die ochtend fluitend door een fuik gelopen en net als veel anderen niet of nauwelijks gecontroleerd. Maar de burgemeester had gezegd dat het kon, een huldiging op de Coolsingel. Allemaal onderdeel van het wij-gevoel, dat Ahmed propageert.

De balkonscène duurde een kwartiertje en liep alweer op zijn eind. Tot dan toe had de burgemeester zich afzijdig gehouden. Pas na ‘You’ll never walk alone’ van Lee Towers verscheen hij even op het balkon om de beker beet te houden. Ik herkende hem aanvankelijk niet: hij droeg een lichtbruin jasje en had zijn bril niet op.

Een burgemeester in verandering, in een steeds maar veranderende stad.

Hij past hier zó goed, in het rumoer en de chaos van deze onaangepaste stad, met al die meningen, al die partijen. Hangend boven dat grote schaakbord, dat moeilijke spel dat Rotterdam heet.

Een paardensprong naar voren en weer terug, een loper de ruimte geven, een aanval op de koning weerstaan, een paar pionnen opofferen, de torens op de juiste plaats zetten. Op naar het vrije spel, in de open ruimte.

Je moet het maar durven.

Ahmed, geniet van dit Rotterdam, dan genieten wij van jou.

Tekst © 2016 Wilfried de Jong. Foto Maarten Laupman