Henk Oosterling
2008

2008_OosterlingHenk Oosterling (Rotterdam,1952) genoot zijn opleiding aan de Erasmus Universiteit Rotterdam waar hij in 1985 zijn mastergraad filosofie behaalde. In het begin van de tachtiger jaren verbleef hij in Japan en bekwaamde zich in kendo (Japans zwaardvechten), dat hij, terug in Rotterdam, ook aan anderen leerde. Sinds 1990 is hij als docent wijsbegeerte aan deze universiteit verbonden. Voor zijn met een cum laude bekroonde proefschrift (1996), ontving Oosterling de onderzoeksprijs van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Oosterling groeide op in Rotterdam en woont al ruim 30 jaar op het Noordereiland.

Oosterling leverde sinds 1985 ontelbare bijdragen aan de Rotterdamse debatcultuur op het gebied van kunst, politiek, filosofie en de verbindingen daartussen. Die bijdragen aan de meningsvorming zijn inmiddels ook dienstbaar geworden aan de praktisch-politieke uitwerking van het toenmalige Pakt op Zuid, via het integrale model ‘Rotterdam Vakmanstad’. Hij was enige tijd werkzaam in het onderwijs en ontwikkelde een taallesmethode gericht op gastarbeiders. Ook ontwikkelde hij een ecologische methode voor Rotterdamse kinderboerderijen.

Henk Oosterling werd in 2008 de Laurenspenning toegekend voor zijn verdiensten voor het maatschappelijke en culturele leven van de stad Rotterdam en daarbuiten.

http://www.henkoosterling.nl/

http://borisvanderham.nl/nieuws/uitreiking_van_praagprijs_aan_henk_oosterling/2?page=3


OORKONDETEKST

Op dinsdag 4 november 2008 heeft

Henk Oosterling

de Laurenspenning ontvangen vanwege
zijn verdiensten voor het maatschappelijke en culturele leven
van de stad Rotterdam en daarbuiten.

Eigenzinnig, creatief en gedreven
gebruikt hij zijn capaciteiten, kennis en energie
om mensen en ideeën, levensgebieden en bevolkingsgroepen
met elkaar te verbinden.

Zijn uitgesproken visies dagen de stad uit
om alle zelfgenoegzaamheid af te zweren;
zijn wetenschapsbeoefening laat zien
dat een universiteit geen ivoren toren hoeft te zijn;
zijn gepassioneerde debatstijl laat zien dat wijsbegeerte spannend is.

Het bestuur van de Stichting Laurenspenning hoopt
dat hij met zijn doortastende creativiteit
nog vele jaren de weg blijft wijzen naar een Rotterdam
waar iedereen zich thuis kan voelen.


LAUDATIO HENK OOSTERLING

Wiep van Bunge, 4 november 2008

Sommige van onze studenten zijn een beetje bang voor Henk Oosterling. Als eerstejaars schuiven zij, geheel onvoorbereid op wat hun te wachten staat, aan bij zijn college en ja, dat kan even schrikken zijn. In razende vaart neemt hij hen op sleeptouw van Hegel tot Foucault, en niet om het mijzelf makkelijk te maken, maar omdat dit een goede indruk geeft van wat onze eerstejaars te verstouwen krijgen, citeer ik even onze studiegids. Die geeft dat in dit college van Henk Oosterling

de opvatting centraal [staat] dat de werkelijkheid wordt gekenmerkt door fundamentele tegenstrijdigheden die vanuit een daaraan ten grondslag liggende dynamiek naar hun eigen opheffing streven. Met de systematische fundering in het werk van Hegel en Marx als achtergrond worden de historische ontwikkelingen binnen het dialectische denken geschetst. Daarin wordt ruimschoots aandacht besteed aan ontwikkelingen in de 19e eeuw, waarbij ook Nietzsche als criticus wordt behandeld en het werk van Freud en De Saussure wordt gebruikt om de overgang naar het differentiedenken inzichtelijk te maken. Zo wordt inzichtelijk hoe vanuit een 19e eeuws debat zich zowel intern als extern kritiek op de fundamenten van het dialectische denken heeft ontwikkeld. Als vervolg op dit debat zullen enkele 20e eeuwse vertegenwoordigers van de Kritische Theorie, Adorno en Habermas en identiteitcritici als Bataille, Barthes, Lacan en Foucault worden behandeld.

En voor wie dan nog adem overheeft, is er ook nog een keuzevak, dat Henk samen met Tiny Rahimy geeft, en ik zal u de volledige aankondiging in onze studiegids besparen, maar het slot van de omschrijving is veelzeggend genoeg:

In dit college worden vanuit deze opvattingen van de polis, het politieke en de ‘police’ de contouren van een filosofie geschetst die het tussen of het ‘inter’ radicaal erkent als grondslag van politieke subjectiviteit. Daarbinnen verschijnt identiteit als uitkomst van een primaire relationaliteit. Deze ontleent haar politieke grondslag aan de openheid voor dit ambigue tussen. Uitzonderingsfiguren als vluchtelingen en bannelingen – Agambens ‘homo sacer’ – worden als contrast gebruikt om in deze grootstedelijke reflecties een specifiek samenleven als urbane interesse te laten oplichten.

Ik kom zó nog terug op deze tekst, maar u begrijpt dat sommige van onze studenten zich wel eens geïntimideerd voelen door het optreden van Henk. Daarbij komt nog dat zijn presentatie niet die is van de gemiddelde, enigszins wereldvreemde academicus: hij draagt geen sandalen en ook al geen mottige tweedjasjes. Hij staat evenmin in zichzelf gekeerd te prevelen voor het schoolbord, nee, Henk staat wijdbeens in het leven, en zo staat hij ook ‘voor de klas’. Met grote overtuigingskracht en in authentiek Rotterdams overtuigt hij onze studenten nu al meer dan twintig jaar van de politieke urgentie van Hegels Fenomenologie van de Geest, en de esthetische imperatief van Foucaults Genealogie van de Macht.

En ondanks de dwingende indruk die hij soms maakt, weet iedereen binnen onze faculteit dat hij al twintig jaar tot onze populairste docenten behoort en dat hij meer studenten begeleidt bij het schrijven van hun scripties dan de meesten van ons. Zo onbenaderbaar is hij dus kennelijk ook weer niet. Zijn taalgebruik mag soms onnavolgbaar zijn, het is, denk ik, de hoge abstractiegraad van zijn denken die hem voortdurend de grenzen doet opzoeken van onze taal: als er geen begrippen voorhanden zijn die uitdrukken wat hij wil zeggen, bedenkt hij ze gewoon zelf. Maar Henk is allesbehalve een praatjesmaker: he earned his credits. Hij heeft een lange weg afgelegd om te komen waar hij nu is. Van de Mulo naar het Gymnasium, en – de burgemeester moet mij deze nevenschikking maar even vergeven – van de Universiteit van Leiden naar de Erasmus Universiteit Rotterdam. In Leiden studeerde hij Filosofie en Japans, in Rotterdam promoveerde hij cum laude op een 736 pagina’s tellend proefschrift.

In zijn Leidse tijd verbleef hij lang in Japan, om kendo te leren. Terug in Nederland werd hij uiteraard nationaal kampioen in die sport en coach van het Nederlands kendo team. Tussen de bedrijven door schreef hij nog een aantal lesboeken, ontwikkelde hij een ecologische methode voor kinderboerderijen, werkte hij aan een basisschool en ‘initieerde hij talloze debatten over filosofie, kunst en samenleving’. Wie de levensloop van Henk Oosterling overziet, kan er niet onderuit vast te stellen dat we hier te maken hebben met een filosoof die in weerwil van de hoge abstractiegraad van zijn denken, zijn ideeën voortdurend omzet in de praktijk: hij denkt en doet.

Daarbij heeft hij het zich zelf door de jaren heen niet altijd even gemakkelijk gemaakt. Hij heeft een deel van zijn vaste, veilige aanstelling aan de universiteit ingeruild voor zijn project Vakmanstad. Daarmee heeft hij bewust een risico genomen. Burgers in beweging krijgen, scholen inrichten en wijken bouwen is iets anders dan een college geven over Gilles Deleuze. Of een artikel schrijven of een boek. Hoewel alles er op wijst dat Vakmanstad aanslaat, zwemt Henk óók in tegen de stroom: binnen de Nederlandse universiteiten namelijk wordt de nadruk op specialisatie steeds groter. Veel academici schrijven steeds gedetailleerder ‘papers’ over steeds kleinere kwesties. Henk daarentegen heeft de afgelopen jaren zijn netten steeds wijder uitgeworpen. Hij schrijft over kunst, de stad, politiek, heel de Westerse canon vanaf pakweg Hegel, het Oosten – waarover schrijft hij niet? En hoewel hij zo ongeveer de belichaming is geworden van het nu officiële streven van de Eramus Universiteit om de band met de stad Rotterdam te versterken, weet hij ook dat het voor zijn academische ‘carrière’ misschien wel ‘verstandiger’ was geweest te blijven zitten waar hij zat. Het was in elk geval een waagstuk, de spreekwoordelijke ivoren toren – deels – te verlaten om werk te maken van zijn Vakmanstad. Zelf ziet hij dat waarschijnlijk anders: ik vermoed dat voor Henk de collegezaal en de straat, de wijk en de stad nooit gescheiden werelden zijn geweest, nogmaals: hij denkt en doet.

Het is me wat te gemakkelijk dat hier te duiden als ‘typisch Rotterdams’: ik woon en werk hier inmiddels ook al een tijdje en ben zeer van deze stad gaan houden, maar het moet mij wel van het hart dat ik die verhalen over opgestroopte hemdsmouwen niet meer kan hóren. Wat Henk doet, is veel interessanter: hij wordt – filosofisch – gedreven door twee nauw verbonden tradities – we kwamen ze al tegen in onze studiegids: die van de dialectiek en die van het differentiedenken. In beide werd hij ingevoerd door Heinz Kimmerle. Beide tradities waarschuwen nu juist voor het definiëren van vaste identiteiten. De dialectiek laat zien hoe de dingen worden wat ze zijn door de interactie met hun tegenpool. Het differentiedenken zoals dat door Henk wordt omarmd, concentreert zich vervolgens op wat zich tussen de dingen afspeelt.

Filosofisch gezien was zijn timing perfect: de tegenstellingen in Rotterdam zijn groot, maar in een keurig aangeharkte stad, waar niets beweegt maar dus ook niets gebeurt, heeft hij niets te zoeken. Het zou misschien zelfs – weer: vanuit filosofisch perspectief – een belediging zijn, Henk neer te zetten als ‘de typische Rotterdammer’. Want wie is dat? En vooral: waartoe verplicht dat, ‘Rotterdammer’ zijn? Nee, Henk ging studeren in Leiden. Vertok naar Japan. Om terug te keren naar de stad waar hij geboren werd, om hier – onder andere – les te geven aan de universiteit. Wat doet hij inmiddels? Hij heeft gekozen voor een verblijf tussen de universiteit en de stad, tussen de politiek en de wijk, tussen de oude Rotterdammers en de nieuwe.

Met die keuze voor wat ik maar even ‘horizontale’ politiek noem, bindt hij de strijd aan met een klassieke, filosofische tegenstelling, die regelrecht uit Plato en Aristoteles stamt: de tegenstelling tussen een zogenaamd ‘theoretisch’, beschouwend leven en het ‘praktische’ leven. Als ik me niet vergis, leerde Henk in Japan niet alleen zwaardvechten. Hij kreeg daar, vermoed ik, óók zicht op de mogelijkheid die tegenstelling te doorbreken. Dáár kwam hij in aanraking met een cultuur waarbinnen, bij wijze van spreken, het zetten van thee of het spannen van een boog ook een filosofische geste kunnen zijn. Een cultuur die niet de vanzelfsprekende superioriteit van het denken boven het doen predikt.

Maar ik zou bijna vergeten te doen wat mij gevraagd werd: Henk te feliciteren met de Laurens Penning, en het comité dat hem heeft voorgedragen, te complimenteren met Henk Oosterling als laureaat. Ik weet zeker dat ik namens heel de Faculteit Wijsbegeerte spreek, wanneer ik hem en u van harte gelukwens met deze prachtige onderscheiding. U begrijpt: dat doe ik niet verticaal – als decaan van de Faculteit der Wijsbegeerte van de Erasmus Universiteit Rotterdam – maar, horizontaal: als collega en stadgenoot.


DANKWOORD

Henk Oosterling

Wat doet een filosoof in de publiek ruimte van Rotterdam? Waarom komt ie uit zijn hoog boven de stad uitstijgende ivoren toren om met iedereen over alles en nog wat te praten? Waarom wil ie vooral jongeren met zijn begeesterde begeerte inspireren?

Ooit stond voor filosofen die de jeugd iets te snel wereldwijs maakten – denk maar aan Socrates, de fictieve grondlegger van de Westerse filosofie – een gifbeker vol dolle kervel klaar. De afbeelding op de penning die ik krijg, voorspelt niet veel beters: de heilige Laurentius, die zijn geloof niet wilde afzweren wordt, vastgebonden op een barbecue, op een laag vuurtje geroosterd: ‘ardens ipsa fides alios incendit in ignem’ oftewel ‘vurig geloof doet ook anderen ontvlammen’. Verlichting anno 258 na C. Socrates, Laurentius, en niet te vergeten: Bonefacius, vergiftigd, geroosterd of doodgeknuppeld.

Maar de tijden zijn veranderd. Tegenwoordig worden begeesterde filosofen niet meer doodgeknuppeld, maar doodgeknuffeld. Ik begrijp natuurlijk wel dat er een verschil is tussen spreken en preken. Maar dat is minimaal. Dus waaraan heb ik het in hemelsnaam te danken om als stadsfilosoof adembenemend aan de borst van de stad te worden gedrukt? Allereerst natuurlijk omdat ik een Rotterdammer ben. Niet een Rotterdammer van het Centrum of van Noord, evenmin een Rotterdammer van Zuid, maar iets er tussenin. Dat ‘ertussenin’ is zo eigen aan deze stad: wat ooit begon met een dam in de Rotte kreeg in 1996 zijn glorieuze hoogtepunt in de Erasmusbrug over de Maas.

Erasmus is de naamgever van de universiteit. 5 jaar geleden wees een enquête onder de Rotterdamse bevolking uit dat 65% dacht dat Erasmus de ontwerper van de gelijknamige brug was. Zonder dat ze dat beseften hadden deze Rotterdammers gelijk: Erasmus was in zijn tijd al een bruggenbouwer. Om dat nog niet doorgedrongen besef te activeren werd enkele dagen geleden op een steenworp afstand van deze kerk, ook weer door de burgemeester, het Erasmushuis geopend.

De universiteit treedt op haar beurt de stad tegemoet. In hun beleidsvisie 2013 heeft de Erasmus Universiteit te kennen gegeven dat zij zichzelf voor alles als ‘een internationaal georiënteerde stadsuniversiteit’ wil profileren. Na vele decennia groeien de stad en de universiteit dan eindelijk naar elkaar toe. Mogelijk blijven over 10 jaar afgestudeerde studenten als potentiële bovenmodalen definitief in Rotterdam wonen om zo de felbegeerde gentrification van economisch kwetsbare wijken tot stand te brengen.

Maar dit alleen verklaart niet het verbazingwekkende feit dat ik, in het rijtje van laureaten, de eerste filosoof ben. Wat zegt dat? Om in de beeldspraak van de penning te volharden: filosofie is hot. Niet voor niets heeft Rotterdam de grootste faculteit wijsbegeerte van Nederland. Filosofie is blijkbaar zo hot dat het cool is om het te studeren. Dat ik deze penning krijg zie ik, naast een erkenning voor mijn politiek-culturele verdiensten voor de stad, dan ook als een teken van de volwassenwording van de filosofie in Rotterdam. Filosofen hebben een maatschappelijke rol te vervullen. Maar vergist u zich niet. Dat doen ze al een tijdje: veel van onze gerenommeerde cultuurdragers, beleidsmakers en directeuren van instellingen zijn filosofisch geschoold. U heeft er zojuist een aantal mogen aanschouwen en aanhoren.

Ik dank u voor de erkenning van wat ik als een van de meeste begenadigde vormen van leven zie: filosoof worden. Maar dit heeft wel consequenties voor de manier waarop we met elkaar spreken. Ik stel voor onze stadstaal aan te passen. Net zomin als Rotterdam-Zuid tegenover Rotterdam-Centrum, Feijenoord tegenover Sparta, Rotterdam tegenover Amsterdam, autochtonen tegenover allochtonen staan, staat filosofie als een theoretische bezigheid tegenover de praktijk. De werkelijkheid is veel complexer. Beleidsmakers denken inmiddels al jaren in scenario’s die worden geïnspireerd door ideeën. Zonder idee, zonder concept, geen beleid, zonder filosofie geen politiek. Reflectie is meer dan een reflex van verbale muggenzifters. Woorden zijn ook altijd daden. Dus we spreken af: het ‘geen woorden, maar daden’ is achterhaald. Het gaat om woorden als daden.

Misschien is dit wel vloeken in de kerk, maar dat geldt dan zeker voor die iets plattere, Rotterdamse variant: ‘niet lullen, maar poetsen’. Ik geef toe: het bekt goed. En begrijp me niet verkeerd: poetsen is een eerbiedwaardige bezigheid, misschien wel een skill. Maar als poetsen alleen maar oppoetsen of erger: alleen maar wegpoetsen betekent, dan wordt het tijd om eens een goed gesprek te voeren over hoe we anders aan de slag kunnen gaan.

‘Ardens ipsa fides alios incendit in ignem’, ‘vurig geloof doet ook anderen ontvlammen’. Ik sluit af. Het is genoeg geweest. Er gebeurt iets uitzonderlijks. Mijn dank voor de toekenning van de Laurenspenning 2008 maakt mij sinds lange, lange tijd ‘speechless’………………………

Ik dank u allen.


OOSTERLING EN DE KUNST

Siebe Thissen

Wat een prachtige titel heb ik als huiswerk meegekregen: “Over Oosterling en de kunst”. Over dit onderwerp zou ik als historicus en filosoof een schitterend proefschrift kunnen schrijven. Want ooit was ik een collega van Henk aan de Erasmus Universiteit en daar hield ik me bezig met het beschrijven van talloze kleinere en grotere Nederlandse filosofen en het analyseren van hun werk. Het zou een dankbare studie opleveren, want zijn lange lijst met lezingen, opstellen en publicaties over beeldende kunst is indrukwekkend.

Aanvankelijk waren zijn inzichten vooral subcultureel van aard, ja soms zelfs revolutionair: Henk besprak de extase en het exces in het werk van Bataille, mijmerde over de homoseksualiteit van Foucault en de opstand van het lichaam, oreerde over het snijden in eigen vlees, behandelde het thema van de pornologische a-cinema in het oeuvre van Ian Kerkhof, en combineerde zonder blikken of blozen het geweld in mangastrips met het alcoholgebruik van Hegel. Veel essays verschenen in obscure kunstenaarsblaadjes, in politiek-culturele magazines en catalogi van tentoonstellingen. En die werden nou net driftig gelezen door kunstenaars.

Met dit kunstmatige denken, want zo mogen we zijn aandriften toch wel bestempelen, beïnvloedde hij een hele generatie kunstenaars. Eindelijk lazen kunstenaars de theorie waarvan ze alleen maar droomden – een theorie die nog niet werd gedoceerd aan Nederlandse academies of universiteiten, maar die in Duitse, Franse en Angelsaksische periodieken steeds meer regulier werden. De polderkunstenaar werd van de wereld. Iedere kunstenaar vond wel iets van zijn of haar gading in zijn werk, en steeds vaker doken Oosterlingiaanse citaten op in het werk van Nederlandse kunstenaars – doorgaans zonder bronvermelding. “Kunstenaars zijn trouweloze honden”, luidt één van zijn gevleugelde uitspraken.

Maar we doen Henk onrecht aan, indien we zijn werk als louter subcultureel bestempelen. Steeds vaker werd hij immers als adviseur aangetrokken en schreef hij intrigerende, maar soms ook moeilijk toegankelijke teksten, die vooral tot doel hadden nieuwe zichtlijnen te openen. De theaterwereld, de danswereld, de wereld van architectuur, design en beeldende kunst – om zijn favoriete disciplines te noemen, maakten dankbaar gebruik van zijn inzichten. Slimme lezers vonden tal van argumenten om uit artistieke impasses te geraken; luie denkers echter raakten nog verder verdwaald in de doodlopende stegen van hun vakdisciplines en vroegen zich geïrriteerd af wie-the-fuck-die-Oosterling- nou-wel-dacht-dat-ie-was.

Het antwoord is altijd duidelijk: Henk Oosterling is Henk Oosterling. Er wordt in Nederland zelfs gesproken over “de school van Henk Oosterling” – tot mijn verbazing word ik er zelf soms toegerekend, al heb ik nooit één college van Henk gevolgd.

Wel verkeer ik in de gelukkige omstandigheid dat ik mezelf een vriend van Henk mag noemen: een warme gozer, een uitmuntende gastheer en kok, en een geweldige gesprekspartner. Ook professioneel blijf ik aan hem gekluisterd. Eerst aan de universiteit, daarna met het Centrum Beeldende Kunst en nu in het Pact op Zuid. Zo werkte ik met Henk in 2001 en 2002 aan het boek “Grootstedelijke Reflecties”, toch een mijlpaal in het denken over kunst en openbare ruimte in Nederland. Dankzij de door Henk geïntroduceerde zichtlijnen (“kunst in de openbare ruimte”, “kunst van de openbare ruimte”, “kunst als openbare ruimte” en “openbare ruimte als kunst”), werd het vakgebied opgestuwd in nieuwe richtingen. Kunstenaars en opdrachtgevers leerden op een nieuwe manier te kijken naar de openbare ruimte en maakten zich een actuele taal eigen, waarmee ze beter konden anticiperen op hedendaagse ontwikkelingen als globalisering, privatisering en publiekprivaat ondernemerschap.

Wie wil spreken “Over Oosterling en de kunst” moet altijd spreken over deze bijzondere verdiensten: over zijn vermogen ons anders naar de dingen te doen kijken; en over zijn vermogen steeds opnieuw een prikkelend vocabulaire uit te vinden, waarmee we in staat worden gesteld de wereld om ons heen te begrijpen en te ordenen. Het zijn precies deze elementen die het wezen vormen van de beeldende kunst – én tegelijkertijd bestaansrecht geven aan de wijsbegeerte.

Ik feliciteer Henk van harte met de Laurenspenning 2008.


‘IK GLUNDER EN GLOEI’ –  NRC 31.10.08
'De combinatie van hardcore filosofie met het werk op basisschool is inspirerend' (foto Leo Velzen)

‘De combinatie van hardcore filosofie met het werk op basisschool is inspirerend’ (foto Leo Velzen)

NRC Hollands Dagboek – Filosoof Henk Oosterling ‘Ik glunder en gloei’
» lees/download (260 kb)


VOORDRACHT

Wim Pak

Dames, heren, Henk

Mijn naam is Wim Pak. Ik ben directeur van basisschool Bloemhof. Sinds anderhalf jaar werk ik samen met Henk Oosterling aan het ontwikkelen van de pilot Fysieke Integriteit.

Dat is op een wonderlijke manier gestart en wel precies op 26 maart 2007. Die dag bezocht minister Vogelaar Rotterdam en ook mijn school. In de middag vond een debat plaats over de ontwikkeling van Rotterdam-Zuid. Door het zaaltje gonsde om me heen “Henk Oosterling zit in de zaal”. Hij hield zich koest tot het eind van het debat. Hij stond op en sprak “voor de ontwikkeling van Rotterdam-Zuid is de brede school heel belangrijk en er zijn geen brede scholen in Zuid”. Minister Vogelaar gaf het volgende repliek: “meneer Pak denkt daar anders over”. Ik heb uitgelegd waar mijn school mee bezig was en Henk bood zijn excuses aan en wilde gelijk een afspraak met mij maken.

In het nagesprek kwam ik erachter dat ik Henk al veel langer kende. Wij kwamen in het begin van de jaren 80 regelmatig in café Rijnvaart. Een buurtkroeg op het Noordereiland met de mix van schippers, havenarbeiders en (semi-)intellectuelen. Henk had de gewoonte om daar neer te strijken na zijn kendo trainingen. Voor mij was opvallend dat daar al de sfeer ontstond van “Henk Oosterling is in de zaal”. Henk was de filosoof aan tafel, hij kon drinken als een tempelier, vechten met bijzonder scherpe zwaarden (Nederlands kampioen Kendo) en hij had altijd gelijk. Ik kende al werk van Henk, in die tijd gaf ik Nederlandse les aan Turkse vaders uit zijn methode “Nederlands voor gastarbeiders”. Door zijn studie en werk zijn we elkaar vervolgens uit het oog verloren.

Na maart 2007 zijn we gaan kijken waar de kansen lagen om het project Fysieke Integriteit op te zetten. Allereerst was duidelijk dat alle kinderen van mijn school judoles zouden gaan krijgen. Judo is weliswaar een vechtsport maar volledig gebaseerd op een respectcultuur. Je hebt respect voor de leraar, respect voor de zaal, respect voor je tegenstander. En het is een echte contactsport. Bij het eerste gesprek liet ik Henk de tuin van de school zien. Dat triggerde hem direct om naast de judolijn een kooklijn op te zetten. Respect voor anderen kun je pas opbrengen als je respect voor jezelf hebt. Respect voor je zelf bouw je op door goed voor jezelf te zorgen. Goed voor jezelf zorgen geef je vorm door goed en gezond voedsel te eten. Dat voedsel zie je groeien in onze tuin. Vervolgens komt dat eten op je bordje in ons kinderrestaurant, waar alle kinderen tussen de middag een goede gezonde maaltijd krijgen. Daar horen smaaklessen bij, maar ook het inzicht dat alles met alles samenhangt. Concreet gemaakt: kinderen willen goed kunnen judoën, leren daartoe goed en gezond te eten, dat eten komt uit onze eigen tuin, waardoor je leert in te zien dat goed voor je omgeving zorgen betekent dat je uiteindelijk goed voor jezelf zorgt. Om dat compleet te maken krijgen de oudste leerlingen van de school ook nog eens filosofieles. De lessen filosofie worden in de toekomst uitgebreid tot ecosofielessen.

Door het samenwerken met Henk weet ik dat hij een echte Rotterdammer is, een harde werker met als motto de uitdrukking dat alle problemen op te lossen zijn, oftewel “no problem”. Eén van Henk’s wensen is dat we een judowijktoernooi tussen scholen op gaan zetten. Hiervoor heb ik deze wisselbeker laten maken: de Henk Oosterling wisseltrofee. Ik hoop dat we er veel toernooien om mogen spelen.